zondag 28 juni 2009

dhaka juni 2009

Mymensingh


Ooit stond ik argwanend vanuit India neer te kijken in een overstroomd Bangladesh.

Mijn enige reden enkele jaren geleden om naar dit vreemde land te komen was luiheid.

Mijn eerste fietsvakantie naar Parijs was fysiek verschrikkelijk zwaar omdat ik de Ardennen over moest. Door mijn gebrek aan ervaring in lange afstandsfietsen leken het wel cols buiten categorie.

Van Bangladesh wist ik dat het zo plat was als de Antwerpse kempen.

Sindsdien heeft de onvoorspelbaarheid van de mensen en de overvloed aan tegenstellingen in het land mij in zijn greep.


Blijkbaar gaf ik in mijn vorig verslag de indruk dat het moeilijk ging.

Inderdaad gaf ik de situatie erg direct weer.

Het was en is niet gemakkelijk maar het was nooit mijn bedoeling om een gemakkelijk jaar te hebben.

Het komt er uiteindelijk op neer dat alles wat je doet, gericht is op het veranderen van gedrag op korte en lange termijn.

Kijk maar naar jezelf als je je gedrag wil veranderen.

Anderzijds zijn er ontelbare mooie momenten die mijn tijd hier goed maken.

Eén voorbeeld zijn de WC's in de school. Kinderen zijn van thuis uit niet gewend om het WC door te trekken.

Gevolg een stinkende onsmakelijke pot wacht op de volgende leerling. Een bezoeker weet soms vanop afstand waar de toiletten zijn.

De volgende leerling maalt er niet om want hij/zij is dat gewoon van thuis. Een kuisvrouw die regelmatig een emmer door het WC kiepert is nu de oplossing!



Beslissen om een jaar in Bangladesh te leven doe je niet in een handomdraai. Sinds mijn eerste reis in 2007 wist ik dat ik terug zou komen.

Toch negeerde ik die gevoelens en deed ik wat iedereen van mij verwachtte. Werken en leven in Belgie.

Ik worstelde erg lang met deze tweestrijd waarvan ik de allereerste seconde al wist welke weg ik op moest.

Waarom? Dat is voor mij ook een raadsel.

Zou ik echt naar Bangladesh komen om hier tegen mijn goesting te zijn?

Ik verdrong die passie in mij om toch maar aan het ideaal “werk voor je pensioen, een huis,...” te voldoen.

Tot je op een gegeven moment met jezelf gecontronteert word. Ik voelde me simpelweg niet goed in mijn vel. Alhoewel ik in principe alles had om content te kunnen zijn. Op materialistisch gebied toch.


Vertellen dat je naar Bangladesh gaat is voor veel mensen een schok.



Wat mij verbaasde is dat veel mensen je gewoon classeren als onbruikbaar, vermijden als de pest. Eindelijk hebben ze een rede om je als minderwaardig te behandelen.

Een grijns die verraad hoe ze op je neerkijken, gij sukkelaar... . Of een gezicht dat de onmacht van het niet begrijpen verklapt. De onmacht om zich uit te drukken en daarom maar beslist om te ontkennen.

Of mij theatraal met alle clichés van ontwikkelingshulp bestoken om hun onmacht een uitweg te geven.

Een niet standaard leven leiden is voor veel mensen geen optie en dat gaat veelal gepaard met bekrompenheid.


Geloof me ik heb allerlei toestanden verwerkt gekregen, van FBI- achtige ondervragingen zwanger van vooroordelen tot vragen of ik seniel was.

Ik vroeg me soms af waar ik eigenlijk beter ontwikkelingshulp zou doen.


Gelukkig waren er, vooral uit onbekende hoek, talrijke aanmoedigingen en uitingen van trots.


Dit om even te verduidelijken dat het voordien ook niet gemakkelijk was. Moet je het dan maar niet doen omdat het moeilijk is!



Tot nu toe heb ik nog geen enkele seconde spijt gehad van mijn tijd in Bangladesh. Behalve toen er een maniak over mijn kleine teen reed.


Sinds mijn laatste bericht zijn er toch enkele vernaderingen gebeurt.

Korvi is ontslagen en daar heb geen spijt van. Hij was een one man show die zijn team niet erkende.


We hebben de afgelopen periode veel tijd gestoken in het up to date maken van de sponsor formulieren.

Dit houdt in dat we per twee op huisbezoek gaan. Per klas bezoeken we al leerlingen en hun gezin.

Een niet te missen ervaring. Je ziet de levensomstandigheden van de families in alle facetten. Je denkt dat in een sloppenwijk alles op elkaar lijkt maar dat is zeker niet zo.

Een huis is meestal 12m2 groot. Een groot bed, een kledingrek en een kast met bestek en kookgerief. Dan spreek je over een “welgesteld” gezin.

De minder begunstigden hebben dezelfde ruimte maar geen bed, de kleding hangt over een koord langs de wand.

Wat ze wel allemaal gemeen hebben is de onnavolgbare gastvrijheid.

Altijd horen we “kom binnen, zet u”.

Schoenen uit, op het bed in kleermakerszit. Om die plaats te bereiken moet ik oppassen om mijn hoofd niet te verliezen aan de laag hangende ventilator.

We stellen vragen over de gezinssituatie, inkomen, problemen,...

Zelden leven er minder dan 5 mensen in zo'n ruimte.

Daken zijn lek want ze zijn onprofessioneel vast getimmerd. Dit betekent rechtstaan 's nachts wanneer het regent. Op het zelfde moment wordt er een pot onder de lek gezet.

In sommige huizen hangt een zure geur van teveel mensen op een hoop. Het is een typische geur van deze huizen. Het zit overal in.

Soms kom je binnen tijdens een ruzie wat niet betekent dat men stopt met discussiëren. Andere families stralen van geluk.

Een man brak uit in een onbedwingbare huilbui. Zijn vrouw had hem net in de steek gelaten met 3 jonge kinderen.

Wat kan je doen, ik gaf hem maar een knuffel en enkele schouderkloppen.

Weer anderen beginnen te klagen en vragen om ietste krijgen. KRIJGEN KRIJGEN KRIJGEN dat kennen ze goed hier maar er iets voor doen.

Hier merk je erg goed de “we leven vandaag en niet morgen” ingesteldheid.

En voor veel mensen is dat nog een feit.

Geld schiet er niet over na het aankopen van simpele etenswaren zoals rijst, aardappelen, linzen, kruiden e.d.

Zelfs voor leerkrachten is het maandelijks salaris net voldoende om een maand te overbruggen. Sparen?! Ze genieten liever van hun sigaret en thee met de collega's.

Eén moeder spant de kroon, ze is huisvrouw en telkens we haar huis betreden zijn we zeker een uur kwijt. Eens zij begint te ratelen weten we al de roddels van de buurt. Ze stopt enkel met praten wanneer je vraagt waarom ze haar dochter op 12-jarige leeftijd heeft uitgehuwelijkt. Ander onderwerp en de dame is weer vertrokken.

Om de één of andere reden is deze vrouw erg gelukkig en straalt dat van haar af.


Op een dag liep ik Abu Hanif, een leerling in klas 3A tegen het lijf met een grote thermos thee.

Ik beloofde hem te vergezellen op één van zijn volgende thee rondes.

Op de afgesproken dag kwam hij me zenuwachtig afhalen aan mijn adres.

Zijn vader is bijna 60 en niet al te fit. Om het familie inkomen aan te spijzen verkoopt hij of zijn zoon thee in de buurt. De moeder werkt in het project en verdient 3000 taka per maand.

Abu begint meteen thee te brouwen. Alle kinderen uit de buurt zijn opgewonden met mijn aanwezigheid. Mijn grote camera doet zijn best om ieder smoeltje even veel aandacht te geven.

Eens het water kookt worden zorgvuldig alle ingrediënten toegevoegd. Alles wordt precies uitgemeten, alles draait om centen.

De kruidnagel moeten 3 stuks zijn in plaats van 4. De andere ingrediënten zijn onder andere laurierblad, cardemom, kaneel, suiker, zout,...

Vader en zoon werken zachtjes samen als een geoliede machine.

Blikken worden uitgewisseld waarbij beide partijen weten wat er gedaan moet worden. Van op de achtergrond komen er op vredige toon subtiele instructies. Ik denk niet dat deze man dikwijls zijn stem verheft.

Als laatste wordt de thee aan het brouwsel toegevoegd. Nadat alles goed heeft doorgekookt wordt de thee over een filter in de thermos gegoten.

In een emmer met water worden 4 kleine tasjes geplaatst. Abu snijdt de limoen in te kleine stukjes en de vader fezelt dat ze wat groter mogen.

We vertrekken via een labyrint van kleine gangetjes langs verschillende huizen naar een riksja garage.

Iedereen zit wezenloos voor zich uit testaren. Hier wordt niets verkocht.

Eens we verder trekken leer ik al snel dat Abu zijn vaste klanten heeft.

Bij elke potentiële klant zegt Abu met zijn heze stem “cha khaben” (thee eten)?

Van de andere kant komen er weinig woorden aan te pas.

Een hoofd en/of oog beweging zijn genoeg voor Abu om te weten of hij iets zal verkopen.

Nu ik als een vlieg rond Abu beweeg hebben de mensen een gespreksonderwerp. Meestal wordt mij ook een tas aangeboden maar na enkele tassen bedank ik vriendelijk. De thee is lekker maar teveel steekt tegen.


Abu vreest dat hij niet veel zal verkopen vandaag nadat er enkele mensen vlak na elkaar niets gedronken hebben.

Telkens ik een foto van Abu wil nemen kijkt hij verlegen weg. “Abu you have a beautiful face” zeg ik. Hij glimlacht en ontspant tegelijkertijd.

Na verloop van tijd stoort mijn aanwezigheid minder en begint hij te vertellen.

Op mijn vraag of hij soms lastige klanten heeft antwoord hij ja maar zegt niets meer.

We lopen heel Gawair Main Road af tot aan Koshai bari railway crossing.

Een bende lummelende bestelwagen chauffeurs zijn geinteresseerd in mijn aanwezigheid maar niet in de thee.

Als we terugkomen bestellen ze thee. Het begint de regenen en we zoeken beschutting onder een rij bomen.

Twee kerels weigeren te betalen en kruipen achter het stuur van hun wagen. Abu staat bij het raam achter zijn geld te vragen. Wanhopig werpt hij een blik naar de andere kerels.

Het schouwspel neemt enige tijd in beslag vooraleer iemand anders de 4 taka betaalt.

Abu legt me later uit dat wanneer mensen niet betalen hij niet weg gaat zonder zijn geld.

Onder weg ontmoeten we allerlei figuren. De lokale politieke leider die ik arrogant beantwoord omdat hij nogal aggressief over kwam. Een dove met een foto winkel die waterproblemen had voor zijn deur, lokale zakenmannen waarvan omstaanders vertellen wat ze allemaal bezitten. De zakenman luistert trots!

Drie uur later heeft Abu 24 tassen thee verkocht voor 48 taka (0.5 euro).

Geen enkele dag is tot nog toe hetzelfde geweest. De dag begint meestal met het bereiden van mijn ontbijt. Roti, een plat zelfgemaakt brood bestaande uit bloem, zout en wat olie. Het is klaar in een handomdraai.

Dit tesamen met een roerei of aloo bhaji (Bengaalse gebakken aardappelen) is overheerlijk.

In het kantoor doe ik wat bureauwerk of vertrek ik samen met Jewel, de vrijwilligers manager, Dhaka in om één of andere taak te verichten. Zoals giften afhalen in Westinn hotel.

Op andere dagen worden de giften bestaande uit kleding uitgedeeld aan de kinderen.

Soms ontvang ik gasten uit Dubai of neem ik foto's voor het project om individuele donoren te bedanken.

In de late namiddag geveen we les aan volwassen die Engels willen leren.

's Avonds geef ik extra les aan leerlingen die dat willen. Als ze komen opdagen tenminste. Ze leven zonder klok en het kan zijn dat ze heel wat later opduiken dan afgesproken. Na enkele minuten les kijken ze verwondert als ik ze naar de deur wijs.

De klas begon om 19:00 en jij hebt 50 minuten verkwanselt. Maar meester mag ik dan op de computer spelen!

Jao-jao-jao en ze zijn vertrokken.


Op een avond klopte Rubel, klas 4 met enkele buurtjongeren op de deur.

Ze zijn ongewoon kalm en kijken mekaar wat aan.

“Niets, niets” antwoord men als ik vraag wat er mankeert.

Tijdens het binnenkomen had ik al opgemerkt hoe Rubel met een grimas voort pikkelde.

Dan komt de aap uit de mouw en stel ik voor om naar het ziekenhuis te gaan. Na een röntgen foto weten we dat er niets gebroken is. De opluchting in zijn gezicht sprak boekdelen.

De volgende morgen bezoek ik hem. Zijn vader maakt hem met eem forse por wakker. Slaperig teent hij naar buiten om wat water door zijn gezicht te werpen. Vanop het bed zie ik hoe de familie zijn ochtenrituelen uitvoert.

Het ontbijt wordt willekeurig door iedereen naar binnen gewerkt.

Rubel zit op de rand van het bed. Zijn moeder staat voor hem recht met een bord rijst met aardappel puree. Haar hand brengt een samengekneed mengsel tot op mondhoogte en Rubel laat zijn moeder de grote prop in zijn mond schuiven.

Dit tafereel maakt me sprakeloos en ik tuur een tijd in het oneindige. Het doet me denken aan de manier hoe vogels hun jongeren voederen.

Nee nee ik heb genoeg! Een laatste prop verdwijnt in Rubels mond en met tegenzin op zijn gelaat slikt hij alles door.

Waarom voedert jouw moeder je zo?

Omdat het mijn moeder is!

Een andere familie kon na een bezoek aan het kinderziekenhuis de medicijnen niet betalen.

Nadat ze alles uitleggen spring ik op mijn fiets met een leerling achterop.

Acht apotheken later missen we nog steeds 2 medicijnen.

De drie andere medicijnen kunnen we al geven. Met een rekening krijg ik alles terug betaalt door The Dhaka Project.

Het ging om een rekening van 246 taka (2.5 euro) maar voor veel families is dit onoverkomelijk.


Zoals afgesproken was ik om 07:00 op de afspraak. Toch start de man een druk en theatraal gesprek.

Hij spreekt zo snel dat ik er niets van versta.

JAO (ga) zeg ik luid en hij springt achter zijn stuur.

Een truck blokt de weg. Over een achterlijk weggetje vinden we een alternatief.

Links en dan rechts wordt ik bijna uit het voertuig gekatapulteerd.

Een regenbui maakt mijn beide kanten nat. Het verkeer schiet goed op maar geleidelijk begint de ochtenspits op gang te komen.

Bussen en auto scheuren langs beide kanten luid toeterend voorbij.

Plots smak ik met mijn smoel en benen tegen de metalen kooi van de bestuurder. Hij ontweek op een haar na een slachtoffer.

Ik kan net mijn woede bedwingen om hem eens goed uit te schijten. Loempe kloot lispel ik.

Rechts ploft er een smeuige gele brij braaksel op het wegdek uit een voorbij tsjokkende bus. Mijn chauffeur roept nutteloos luid om zich heen naar de bus die al eind verder is.

Mijn nieuwsgierigheid inspecteert de brij op het wegdek. Ik herken rijst en lentils. In stilte schud ik mijn hoofd en vraag me af “waarom”.

Allerlei taferelen van een ontwakende grootstad passeren mijn waarnemende ogen.

Uit het niets wordt ik plots geconfronteerd met een bumper van een oude bus op ooghoogte en op een halve meter van me vandaan.

Mijn chauffeur lacht vriendelijk in zijn spiegel en kijkt of ik het niet erg vind.

Na een tijd krijgt hij problemen met zijn versnelling. Telkens we vetrekken schiet het ding weg in een sprong of valt het stil. Achter ons staan bloeddorstige voertuigen te hijgen en toeteren in mijn nek.

Na een uur sta ik voor de poort van de BRTA (Bangladesh Road Transport Authority). Vier uur later krijg ik de horen dat ik 15 dagen later naar Mirpur moet komen.

Betekent dat ik dan mijn rijbewijs mag afhalen? Geen antwoord, Next...

Drie uur eerder had ik een 10 minuten durend exaam afgelegd.

Gelukkig had ik tijdens het wachten gezelschap van eerst een Bengaalse diplomaten vrouw die naar Geneve trok. Later hield een gepensioneerde Luitenant Kolonel van het Bangladesh leger me gezelschap.

Hij had in de jaren 80 onze Koning Boudewijn en zjn vrouw bewaakt tijdens een staatsbezoek. Hij had nog steeds een kristallen souvenier.


Ben jij een buitenlander?

Zie ik er uit als een Bangladeshi?

Kletsnat van het zweet sta ik overvloedig te transpireren tussen een bende starende Bengalen in een overvolle trein. De mensen plakken langs alle kanten om me heen.

Enkele minuten eerder zat ik nog aangenaam te keuvelen in de “eerste klasse” wachtruimte van het treinstation.

In die wachtruimte had een man zijn lungi omhoog getrokken om een etterende zweer aan zijn edele delen te tonen. In een oncontroleerbare walging wend ik mijn ogen af. De man naast mij geeft hem 10 taka en vertelt me dat het een business is om te bedelen met lichaamsgebreken.

De jonge kerel op de trein vraagt mijn ticket en beloofd me naar mijn plaats te brengen.

Van wagon tot wagon klauter ik letterlijk over mensen heen. Via een groep jonge dames in kleurrijke sarees langs coole jongeren die met een zonnebril mij gefascineerd aanstaren en daardoor pas klanken produceren wanneer ik al lang gepasseerd ben via stokoude ineengekrompen oudjes die gehurkt op de bodem zitten met her en der een baby tussen hun pezige benen.

Met moeite forceer ik me een weg om enkele meters te winnen. Ik stoot mensen aan die geagiteerd reageren. Uiteindelijk leg ik mijn bagage op mijn hoofd om zo verder te worstelen.

Aan de reacties maak ik op dat de mensen dit wel smaken.

Ter plaatse zit er een moeder met 2 babies op mijn plaats. Een buitenlander, sta op hoor ik de jonge kerel zeggen.

Drijfnat en oververhit neem ik plaats zonder me te schamen voor de moeder. Zij zet zich voor me op de vloer. Links krijg ik eindelijk frisse lucht door het openstaande raam. Rechts straalt de warmte van de mensen op mijn lichaam.

Eens mijn lichaam kleverig is maar niet meer zweet geniet ik van het mooie landschap tot ik op mijn bestemming aankom.

Een corpulente vrouw worstelt zich een weg naar de uitgang. Opgewonden becommentarieert ze alles wat haar pad belemmert. Een man zegt haar wat kalmer aan te doen. HOU JE SMOEL! brult ze.

Haar saree hangt los. Een forse vetkwab resonneert zichtbaar met haar stem.

Met een kordate vingerstoot schiet haar bril hoger tot de wenkbrauwen het glas vullen.

Ze merkt dat ik haar aanstaar en in een zucht draait ze zich om en mept ze drie jonge meiden op de rug. Waar het volk uitdeint zie ik de koppen naar het midden draaien.